Auteursrechtverklaring
Inhoud
Het experiment: vectornauwkeurigheid testen in 4 softwarepakketten
Als je ooit een ontwerp hebt gedigitaliseerd dat op je scherm messcherp leek, maar op de machine ineens nét “anders” uitkomt, dan heb je de "Ghost Shift" al meegemaakt: het verschil tussen schermrealiteit (wiskundig perfect) en machinerealiteit (fysieke naaldinslagen).
Als digitizer zit je precies tussen creatief en technisch in. Je tekent niet alleen lijnen; je programmeert in feite een CNC-systeem dat met hoge snelheid textiel per steek positioneert. En als dat systeem zelfs maar een fractie van een millimeter anders uitkomt dan je verwacht, kan dat in registratie (uitlijning) zichtbaar worden—zeker bij smalle satijnranden, kleine letters en scherpe hoeken.
Deze test volgt de workflow die Jeff laat zien: we vergelijken hoe vier grote pakketten—Pulse DG16, Wilcom Embroidery Studio, Ricoma Chroma en Melco DesignShop—SVG-vectoren (nodes/controlepunten) importeren én hoe nauwkeurig ze vervolgens naar een DST-machinebestand exporteren.
De inzet is praktisch én financieel: een “schone” SVG garandeert niet automatisch dat je DST-uitvoer exact overeenkomt met wat je in het objectbestand ziet. Als software tijdens export coördinaten afrondt of punten naar een raster “trekt”, betaal je dat later terug in extra proefborduursels, misregistratie en afgekeurde kleding.

In deze gids werk je stap voor stap: eerst een "schone baseline" maken, daarna de import per pakket beoordelen, en tot slot de echte controle—het DST-bestand opnieuw importeren en over je originele object leggen. Ook laten we zien wanneer je het probleem wél bij software moet zoeken en wanneer je vooral je fysieke workflow (inspannen, stabiliseren) moet verbeteren—bijvoorbeeld met een magnetische borduurring of een meernaaldborduurmachine.
SVG’s importeren: hoe Pulse, Wilcom en Chroma met nodes omgaan
Om nauwkeurigheid te kunnen vergelijken, heb je één vaste referentie nodig. De test start met een bloklettertype dat in CorelDRAW is omgezet naar curves. Daarmee maak je een vector-baseline: een vorm die is opgebouwd uit nodes (controlepunten).
Jeff kijkt hier vooral naar node-hygiëne. Een “vuile” vector met onnodig veel nodes maakt elke steekmotor onrustiger. Een “schone” vector gebruikt precies genoeg nodes om de vorm strak te definiëren.
Stap 1 — Maak een schone SVG-baseline (CorelDRAW)
De standaard: Zet tekst om naar curves. Inspecteer de nodes. Visuele check: Zoom in (bijv. 400%). De contouren moeten eruitzien als vloeiende, strakke lijnen. Als je een kartelige kustlijn of een wolk van puntjes ziet, is de vector niet schoon. Succescriterium: Eén schone SVG waarin elke node functioneel is.

Stap 2 — Importeren in Pulse DG16 (Import Artwork)
Jeff gebruikt in Pulse de functie Import Artwork. Pulse toont rode punten over de contour. Observatie: De rode indicatoren in Pulse vallen exact samen met de originele Corel-nodes. Pulse gedraagt zich hier als een “getrouwe vertaler”: geen extra nodes, geen zichtbare vervorming. Succescriterium: Geen afwijking tussen bron-nodes en geïmporteerde nodes.

Stap 3 — Importeren in Wilcom (via Corel-modus)
Wilcom Embroidery Studio werkt in deze workflow via de CorelDRAW-integratie om de SVG binnen te halen. De afwijking: Na import zie je dat Wilcom extra nodes toevoegt, met name bij de curve van de "e" en delen van de "t". Waarom dit telt: Extra nodes maken micro-segmenten. Bij satijnsteken kan dat leiden tot onrustige randen, kleine dichtheidsverschillen of een minder vloeiende steekloop. Praktijkcheck: Als je later op de machine een “stotterende” beweging ziet op bochten (veel mini-correcties), is dat vaak een signaal dat de onderliggende geometrie te gefragmenteerd is.

Stap 4 — Importeren in Chroma (Open + node edit)
Chroma opent de SVG in deze test redelijk direct. Observatie: Visueel blijft het pad bruikbaar en de nodeverdeling oogt efficiënt. Succescriterium: Een contour die je kunt digitaliseren zonder eerst groots op te schonen.
De Melco DesignShop import-fout
Hier zie je een harde faalmodus: rommel erin = rommel eruit.
Jeff probeert dezelfde baseline-SVG in Melco DesignShop te openen. Het resultaat is duidelijk fout: curves klappen in, letters vervormen en je krijgt “gegarblede” geometrie.
Dit is een ander type probleem dan een kleine exportverschuiving:
- Interpretatiefout: de software kan de Bezier-curves niet correct lezen (zoals in deze Melco-test).
- Translatiefout: de software leest de curves wel, maar verschuift coördinaten bij export (dat komt later).
Directe actie: Als je dit soort vervorming op het scherm ziet: stop. Ga niet “repareren” met steekhoeken of dichtheid. Je moet je vector anders aanleveren (bijv. via een ander exportformaat) of opnieuw opbouwen.

De DST-exporttest: steekgeneratie analyseren
Nu gaan we van "art" (vector/object) naar "code" (DST).
Jeff genereert steken en exporteert als .DST. Technische realiteit: DST is een oudere industriestandaard. Het “begrijpt” geen cirkels of curves—alleen X/Y-verplaatsingen per steek. In de video wordt uitgelegd dat de pantograaf-/machine-resolutie vaak in stappen van 0,1 mm werkt en dat software bij export punten kan afronden naar dat raster.
Als je software een punt berekent op 10,05 mm, maar export het naar 10,0 of 10,1 mm, dan krijg je een afrondingsverschil.
Waarom zulke mini-verschuivingen in de praktijk toch tellen
Een losse 0,1 mm lijkt verwaarloosbaar. Maar in borduren stapelen afwijkingen zich op:
- Afronding bij export: +0,1 mm
- Machine-/frame-trilling: +0,1 mm
- Textielrek: (kan zichtbaar zijn, afhankelijk van materiaal)
- Inspanvervorming: (kan groter zijn dan software-afwijking)
Daarom is het belangrijk om te weten: komt je afwijking uit je software, of uit je fysieke proces?

Voorbereidingschecklist: het “schone lab”-protocol
Wil je software eerlijk vergelijken, dan moet je variabelen minimaliseren.
- Vector-hygiëne: bron-SVG is schoon (geen kruisingen, geen overbodige nodes).
- Schaal standaardiseren: zet de hoogte in elk pakket exact op 10 mm.
- Consistent vergelijken: gebruik dezelfde meetmethode (ruler/measure) en vergelijk altijd object vs. geïmporteerde DST.
- Bestandsdiscipline: maak één map en benoem consequent (bijv.
TEST_PULSE.DST,TEST_WILCOM.DST). - Ken je tools: weet waar Measure/Ruler en Merge/Import zitten.
- Kijk naar echte naaldpunten: bij overlay-tests let je op de daadwerkelijke steek-/naaldinslagpunten, niet alleen op de renderlijn.
Het moment van de waarheid: bestanden opnieuw importeren om nauwkeurigheid te controleren
Dit is de stap die het verschil maakt tussen “denken” en “weten”. Jeff importeert de geëxporteerde DST-bestanden terug in de software en legt ze over het originele object.
Stap 5 — Pulse herimport-overlaytest (File > Merge)
Actie: Jeff gebruikt File > Merge om de DST als steekbestand over het originele object te leggen. Resultaat: De naaldinslagen vallen exact op de oorspronkelijke weergave. Conclusie: In deze workflow gedraagt Pulse zich als “what you see is what you get” voor de DST-uitvoer.

Stap 6 — Chroma herimport-overlaytest (Merge + meten)
Actie: Jeff merged de DST terug in Chroma en zorgt dat het niet automatisch naar outlines/objecten wordt omgezet (zodat je de ruwe steken ziet). Resultaat: Je ziet een zichtbare misuitlijning. Meting: Met de ruler-tool meet hij ongeveer 0,1 mm verschil. Betekenis: De export heeft de naaldinslagen naar het pantograaf-raster afgerond, waardoor de “echte” steekpositie net anders is dan je objectweergave.


Stap 7 — Wilcom herimport-overlaytest (Import Embroidery + meten)
Actie: De DST wordt opnieuw in Wilcom geïmporteerd. Jeff wijzigt de kleur (zwart) voor contrast. Resultaat: De afwijking is zichtbaar bij overlay. Meting: De verschillen liggen tussen 0,12 mm en 0,18 mm. Praktische les: Ook in een sterk pakket kan “objectweergave” afwijken van “DST-realiteit” in deze testopzet.


Waarom Pulse DG16 de nauwkeurigheidstest won
In deze gecontroleerde vergelijking blijft Pulse DG16 het meest consistent: wat er doorheen gaat (SVG/object) komt er in de DST-overlay weer uit zonder zichtbare verschuiving.
Waarom is dat commercieel relevant? Voorspelbaarheid. Als je digitaliseert voor productie op een tajima borduurmachine, wil je niet gokken of een klein “gaatje” of randje een render-artefact is of een echte naaldinslagverschuiving. Met de herimport-check weet je waar je aan toe bent.
Pantograafresolutie en coördinatenverschuiving begrijpen
Jeff wijst de kernoorzaak aan: grid/resolutie. In Pulse kan hij de grid op 0,1 mm zetten, wat aansluit bij de pantograafresolutie die in de video wordt besproken. Je ziet de naaldpunten op die kruispunten “landen”.
Andere pakketten werken vaak met een ontwerpgrid (bijv. 1 mm of groter) en pas bij export wordt er naar het machine-/bestandsraster afgerond.
Praktisch perspectief
Een veelgestelde vraag uit de praktijk (ook in de reacties): maakt zo’n mini-verschil echt uit in het eindresultaat? Het eerlijke antwoord is: soms wel, vaak niet—en het hangt vooral af van schaal en context. Bij grote vlakken zie je het nauwelijks. Bij kleine letters, smalle satijnranden en strakke registraties kan het nét het verschil zijn tussen “professioneel” en “net niet”.
Operationele checklist: de test draaien zonder jezelf te misleiden
- Eén bronbestand: exact dezelfde SVG in alle pakketten.
- Schaal vastzetten: overal 10 mm hoogte (zoals in de video).
- Exportdiscipline: exporteer als DST en herimporteer diezelfde DST.
- Overlay controleren: vergelijk object vs. geïmporteerde DST (de “echte” naaldinslagen).
- Meet consequent: gebruik dezelfde meettool en meet meerdere punten (bochten én rechte stukken).
Troubleshooting-tabel: symptoom → oplossing
| Symptoom | Waarschijnlijke oorzaak | Snelle fix | Preventie |
|---|---|---|---|
| SVG ziet er ‘exploded’/vervormd uit na import | Interpretatiefout (zoals DesignShop in deze test) | Verwijderen, niet borduren | Vector opschonen of ander exportformaat gebruiken; desnoods opnieuw traceren |
| DST-steken liggen ~0,1 mm naast het object | Afronding naar pantograaf-/DST-raster | Accepteer als bestands-/exportrealiteit; controleer via herimport | Maak herimport-overlay onderdeel van je standaard QA |
| Borduursel wijkt zichtbaar af terwijl de overlay ‘oké’ lijkt | Fysieke variabelen (inspannen/stabiliseren) | Controleer inspanning en stabiliteit; test op stabiele stof | Standaardiseer je inspannen en backing; vermijd onnodige rek |
Praktische shop-takeaways (en waar tools wél verschil maken)
De test laat zien dat software kleine afwijkingen kan introduceren. Maar in de dagelijkse productie komen de grootste fouten meestal uit het proces: inconsistent inspannen, variatie in materiaal, of te veel spanning/rek.
Als je een 0,1 mm softwareverschil probeert te “winnen”, terwijl je een dikke hoodie met kracht in een standaard ring trekt, dan ben je vaak het verkeerde probleem aan het oplossen. Fysieke vervorming en ringafdrukken kunnen de uitlijning veel sterker beïnvloeden dan de gemeten exportdrift.
Wanneer is het tijd om je tooling te upgraden?
- Trigger: je ontwerp is digitaal perfect, maar de outline registreert niet netjes op het kledingstuk.
- Diagnose: check je inspannen: trekt de stof scheef? “Flagt” het materiaal (op-en-neer bewegen)?
- Oplossing (niveau 1): stabiliteit verbeteren (passend vlies, consistente spanning).
- Oplossing (niveau 2): magnetische borduurring.
- Waarom? Magnetische ringen klemmen gelijkmatiger en verminderen de neiging om stof in een “vervormingskom” te trekken.
- Zoekgedrag: Veel borduurders zoeken expliciet naar hoe een magnetische borduurring te gebruiken om registratieproblemen en ringafdrukken te verminderen.
Voor de “prosumer” (thuisbedrijf)
Werk je op een single-needle machine en wil je sneller en consistenter inspannen, dan kan het zinvol zijn om te kijken naar magnetische borduurringen voor brother (en verwante systemen). Minder gedoe bij het inspannen betekent minder variatie tussen stuks.
Voor de commerciële shop
In een volume-omgeving met ricoma borduurmachines of vergelijkbare meernaaldborduurmachines draait alles om herhaalbaarheid.
- Bottleneck: handmatig inspannen kost al snel 45–90 seconden per shirt.
* Houd ze uit de buurt van pacemakers, betaalpassen en gevoelige elektronica.
* Laat ringdelen nooit ongecontroleerd “dichtklappen”; werk gecontroleerd en met vingers uit de knelzone.
Resultaten: wat je nu het beste kunt doen
Jeffs test levert vier duidelijke observaties op:
- Pulse DG16: in deze test de beste coördinatenfideliteit bij herimport.
- Chroma: bruikbaar, maar met ~0,1 mm drift na export.
- Wilcom: ~0,12–0,18 mm drift in de overlay en extra nodes bij import.
- Melco DesignShop: faalt in deze specifieke SVG-importtest.
Actieplan:
- Test je eigen setup: herhaal dit met jouw software en jouw standaardinstellingen, zodat je je “foutmarge” kent.
- Verifieer met herimport: maak DST-herimport een vaste QA-stap vóór productie.
- Beheers de grootste variabele: stabiliteit en consistent inspannen. Pas daarna ga je micromanagen op 0,1 mm.

